Wat is delirium?

Delirium is een plots optredende verwardheid ten gevolge van een (vaak tijdelijke) verstoring van de normale werking van de hersenen. Deze verwardheid komt meestal door een lichamelijke ziekte, en komt veel voor bij ernstig zieke patiënten die behandeld worden op een IC. Het is moeilijk te voorspellen hoe lang een delirium duurt. Dit kan uiteenlopen van enkele dagen tot een aantal weken. 

De volgende verschijnselen zijn kenmerkend voor een delirium:
  • De aandacht er niet bij kunnen houden. De patiënt heeft bijvoorbeeld moeite met het volgen van een gesprek en informatie lijkt niet door te dringen. 
  • Problemen met oriënteren. De patiënt weet niet waar hij of zij is of denkt ergens anders te zijn, weet niet welke dag, maand of jaar het is of heeft problemen met het herkennen van familieleden.
  • Moeite met logisch denken en met het geheugen. De patiënt is vergeetachtig.
  • De verwardheid ontstaat plotseling of varieert in ernst gedurende de dag. 
  • De patiënt kan angstig, onrustig, achterdochtig of agressief zijn, of zichzelf juist stil terugtrekken. Het komt ook voor dat de patiënt zowel onrustig als teruggetrokken is. 
  • Soms komt het voor dat de patiënt dingen ziet of hoort die er niet zijn, zoals het horen van stemmen of geluiden of het zien van "beestjes".  Voor de patiënt zijn die beestjes, stemmen of geluiden er echt. Dit noemen we hallucinaties.
 
Als gevolg van delirium treden er in de herstelperiode na de IC opname vaak problemen op met de concentratie, het geheugen en het verwerken van informatie.

Hoe ontstaat een delirium?

Patiënten op de IC zijn de ziekste patiënten in het ziekenhuis en hebben een grote kans (ongeveer 30%) om delirium te ontwikkelen.   Of iemand een delirium ontwikkelt, is onder andere afhankelijk van de ernst van de lichamelijke oorzaak, de leeftijd en de conditie van de patiënt.   

Omstandigheden die een delirium kunnen veroorzaken zijn: 

  • Operatie
  • Infecties
  • Stoornissen in de stofwisseling
  • Stoornissen van hormonen
  • Hersenschudding
  • Medicijngebruik, vooral bepaalde slaapmiddelen
  • Pijn
  • Te weinig slaap
  • Niet mobiel zijn door bedrust

Patiënten die ouder zijn dan 70 jaar zijn en mensen die vóór de opname op de IC moeite hebben met het geheugen, hebben een grotere kans om een delirium te krijgen. Ook patiënten die plotseling stoppen met overmatig alcohol gebruik krijgen vaak een delirium. 


Behandeling van een delirium

De verpleegkundigen testen alle patiënten minimaal 3 keer per dag op de aanwezigheid van een delirium. Als de uitslag positief is bespreken ze dit met de arts. De arts probeert zo snel mogelijk de oorzaken van het delirium vast te stellen en deze te behandelen. Hiervoor is op de afdeling een medisch en verpleegkundig protocol. Vaak krijgen de patiënt medicijnen om de verschijnselen van het delirium te verminderen. Als de patiënt erg onrustig is, kan het nodig zijn om hem/haar in bed vast te leggen (fixeren). Hiermee willen we voorkomen dat de patiënt uit bed valt, zichzelf beschadigt of dat hij/zij per abuis infuusslangetjes of de beademingsbuis er uit trekt. Dit wordt alleen in die gevallen gedaan waarbij de patiënt een direct gevaar voor zichzelf vormt.
Naast het behandelen van een delirium wordt er ook dagelijks gekeken of de pijn optimaal behandeld wordt en er wordt naar gestreefd om de patiënt zo veel mogelijk wakker, maar comfortabel aan de beademing te hebben. Er wordt een dagprogramma opgesteld en zo nodig slaapmedicatie afgesproken.

Maatregelen
Van het grootste belang zijn vooral de maatregelen ter voorkoming van het delirium. Deze kunnen overigens ook helpen bij de behandeling van het delirium.
  1. Bevorderen van het dag– en nachtritme
    1. Geen onnodige verlichting en/of geluid bij de patiënt ’s nachts. 
    2. Het aanbieden van oordopjes aan indien hij/zij problemen heeft met slapen.
    3. Onderzoek door de arts wordt ’s nachts alleen gedaan als het strikt medisch noodzakelijk is. 
    4. Het aanbieden, als dit gewenst is, van zachte muziek. 
    5. Het stimuleren van mobilisatie en beweging overdag.
    6. Bij uitblijven van succes van het bovenstaande en nachtelijke onrust kan slaapmedicatie helpen. 
  2. Fysiotherapie en bij stabiele patiënten (soms zelfs aan de beademing) mobiliseren op de bedrand of naast het bed, en heel soms zelfs lopen op de kamer. Uit onderzoek is gebleken dat dit veilig is! 
  3. Psychosociale hygiëne (het optimaliseren van de omstandigheden om de patiënt te helpen georiënteerd te blijven): 
    1. Herhaaldelijke oriëntatie in tijd, plaats en persoon. 
    2. Geheugen- en aandachtoefeningen overdag. Bijvoorbeeld: oriëntatie oefeningen - herhalen welke dag, datum, tijdstip van de dag is; geheugen- en aandachtoefeningen; spelletjes doen met bezoek. Het bezoek kan ook voorlezen als de patiënt wakker genoeg is.  
    3. Gebruik van bril of gehoorapparaat om de oriëntatie van de patiënt te bevorderen. Hierdoor krijgt de patiënt houvast en de mogelijkheid om zo goed mogelijk met bezoek en de verpleegkundigen te kunnen communiceren. 
    4. Zorgen voor regelmaat. Zoveel als mogelijk dezelfde verpleegkundigen aan bed. 
  4. Dagelijks wordt de medicatie van de patiënt besproken door het behandelteam en eventueel aangepast. Zo mogelijk worden medicijnen die het delirium kunnen veroorzaken gestopt. 

Wat kan de familie doen?

U kent uw familielid het beste. Als u denkt dat uw familielid delirant zou kunnen zijn dan horen wij dat graag van u. U kunt dit melden aan de verpleegkundige die voor uw familielid zorgt. Hij/zij zal uw zorg ter harte nemen. Overleg met de verpleegkundige wat u zelf kunt betekenen in deze situatie.

Let tijdens het bezoek op de volgende punten:
  • Vertel uw familielid dat hij of zij ziek is en in het ziekenhuis ligt. 
  • Spreek rustig en in korte, duidelijke zinnen. 
  • Stel eenvoudige vragen, zoals: "Heb je lekker geslapen?" en niet: "Heb je lekker geslapen of lag je steeds wakker?" Dit laatste zijn twee vragen in één. Deze zijn voor een delirante patiënt moeilijk te beantwoorden. 
  • Bezoek is belangrijk. Door aanwezigheid van bekenden kan uw familielid zich veiliger en rustiger voelen. Te veel bezoek kan echter verwarrend en beangstigend zijn. Kom daarom met maximaal twee bezoekers tegelijk op bezoek. 
  • Komt u met meerdere personen tegelijk? Ga dan zoveel mogelijk aan één kant van het bed zitten. Uw familielid kan zich zo op één punt richten. 
  • Let erop dat uw familielid zijn eventuele bril of gehoorapparaat gebruikt. 
  • Maak met uw familie en vrienden een regeling voor bezoek. 
  • Help met oriënteren, zeg wie u bent, waarom u komt, vertel uw familielid waar hij is en waarom of vertel de dag, datum en tijd. 
  • Ga niet mee met uw familielid in dingen die hij ziet of hoort, maar die er niet zijn. Probeer uw familielid niet tegen te spreken, maar maak wel duidelijk dat uw waarneming anders is. Heeft dat geen effect, beëindig dan uw pogingen. Maak er geen ruzie over. 
  • Praat met uw familielid over bestaande personen en echte gebeurtenissen. Praat over het hier en nu. U kunt bijvoorbeeld de krant meenemen en hieruit stukjes voorlezen. 
  • Neem vertrouwde foto’s mee van thuis of maak hier een collage van. Denk aan foto’s waarop belangrijke personen of familieleden staan. De foto’s geven veiligheid en steun. 
  • Ook van bekende muziek kunnen mensen tot rust komen. 
  • We raden u aan een dagboek bij te houden. Uw familielid kan dit later, na de IC opname, lezen. Het kan hem helpen met het verwerkingsproces. 
  • Het aanwezig zijn en simpelweg de hand vasthouden van uw familielid geeft ook steun.

Na het delirium

Patiënten die vóór de periode van acute verwardheid geen geheugenproblemen hadden, kunnen zich later vaak nog veel herinneren van hun verwarde periode. Schaamte voor de dingen die zij hebben gedaan en angst voor het feit dat dit zomaar heeft kunnen gebeuren, komt vaak voor. Probeer, als de patiënt herstellende is, te praten over wat er is gebeurd. Hierbij kan uitgelegd worden dat dit vreemde gedrag is ontstaan doordat de patiënt zo ziek is geweest dat de hersenen tijdelijk niet goed konden functioneren (zoals ijlen bij hoge koorts). De patiënt kon dus niets doen aan zijn vreemde gedrag.